Met Klaverjasclub Schoppen Negen in gedachten gingen we een weekje naar Parijs. Dit keer niet met onze camper – het lijkt me geen lolletje om met dat ding over de Boulevard Péripherique te rijden, laat staan de Place de l’Etoile.
Met de Eurostar dus, de supersnelle trein die zich met snelheden tot 300 km/u door het landschap spoedt. Of eigenlijk vooral op een spoor met heel veel geluidswallen. Alleen in Noord-Frankrijk zie je wat van het landschap, en bij de steden zie je vooral de rommelige grootstedelijke rafelrand die vaak het uitzicht vanaf het spoor vormt. Maar het schiet wel lekker op, in zo’n drie uur van Rotterdam naar Gare du Nord.
Het openbaar vervoer in Parijs is bijzonder efficiënt. Een weekkaart (Navigo-pas) voor metro, regiotrein, tram, bus en meer kost iets meer dan drie tientjes. De oudere metrostations zijn een wirwar van lange gangen en trappen, niet allemaal voorzien van roltrap, dus dat vormde soms een beetje een uitdaging. We hadden op het grote metrostation Châtelet het idee dat we van de trein naar de metro meer dan een kilometer ondergronds hebben afgelegd. Opvallend (zelf niet gebruikt…) een mooi systeem van huurfietsen die echt overal staan, en een dicht netwerk van fietspaden.
Wat we verder gedaan hebben? Je kunt niet alles, maar wel hebben lekker genoten. De Notre Dame, mooi gerestaureerd na de brand. Door de werkzaamheden ziet alles er weer spic en span uit – in mijn herinnering had het interieur van de kathedraal een fraai patina, opgebouwd door eeuwenlange walm van kaarsen en wierook. Maar het ziet er nu uit alsof de kathedraal eergisteren nieuw is opgeleverd. Praktisch gesproken is dat natuurlijk ook wel een beetje zo.
Boekhandel Shakespeare & Co: een fantastisch samenstelsel van oude panden, volgestouwd met heerlijke (vooral Engelse) boeken, van de vloer tot de zolder. Met een leeshoek met oude stoelen en banken waar literatuurliefhebbers op gemak (gratis) kunnen lezen; er is een enorme keuze. Jammer genoeg mocht je binnen niet fotograferen.
Père Lachaise, met in onze ogen bizarre maar bezienswaardige grafmonumenten en te groot om helemaal te bekijken.
‘Te groot’ geldt ook voor het Louvre, waar we zelfs mét reservering een uur in de rij stonden. Een volgepakte zaal met fotograferende toeristen belemmerde het zicht op de Mona Lisa. Verder veel te veel geweldige kunst, en een loopje langs de Assyrische afdeling bleek erg de moeite waard.
Musée d’Orsay was voor ons in ieder geval nieuw – vooral de prachtige collectie Jugendstil sprak aan, en je ziet er in het echt ongeveer alle impressionistische en expressionistische schilderijen die je ook tegenkomt in de betere kunstboeken.
Musée Carnavalet zette ons eerst op het verkeerde been – het bleek niet om een carnavalsmuseum te gaan, maar om de geschiedenis van de stad. Met heel veel artefacten van uithangborden tot schilderijen, maar ook een enorme reeks bijzonder fraaie stijlkamers. Zeer verrassend en zeer de moeite waard. En het is ook nog eens kosteloos toegankelijk.
En verder is Parijs natuurlijk een bijzondere stad met bezienswaardige straatjes, mooie pleintjes, verrassende doorkijkjes, een tot langwerpig park omgekatte oude spoorlijn, leuke winkeltjes en markten, de protserige Champs Elysées. En een rivier waarop we best een rondvaart hadden willen maken, maar door recente regenval stond het water zo hoog dat de rondvaartboten niet onder de bruggen pasten…
Vijf dagen was eigenlijk te kort, maar het was de moeite waard.